Waar is de alarmbel?

Gepubliceerd op 11 februari 2022 om 22:39

"Ik kan niet meer, waar is de alarmbel?"

"Ik kan het niet meer, waar is de alarmbel?" schreeuwde ik wanhopig, trillend op mijn benen. Enkele weken ervoor stond ik nog bij de dokter. Voor mijn jongste - die weeral eens ziek was, of nog steeds? -, maar op het einde van de afspraak vroeg de dokter beleefd "Hoe gaat het met u?" Ik slikte mijn trotse, typisch Vlaamse "Cava ze" in, schraapte mijn keel en ging voor: "Tgoh ... Ja, het is echt wel moeilijk." Dit was het. Het moment waarop ik toegaf dat het moeilijk was. Dat de 3 jaar slechte nachten, gecombineerd met werkdruk, hoop, ambities en een gebroken hart dat nooit de tijd had gekregen om te helen, te veel waren. En al lang te veel. Niet meer het "ach morgen is vast een betere dag te veel", maar het "ik wil dat er nooit meer een morgen komt" te veel. Maar nu ging het gebeuren. Er. komt. hulp. Misschien zou ze rust voorschrijven, misschien psychologische hulp, misschien had ik een burn-out, een parentale of een gewone, of een depressie, of gewoon over-over-vermoeid en overweldigd. 

"Trek op tijd aan de alarmbel he!"

Maar het bleef stil. Ze keek me aan, terwijl ze op stond om me de deur te wijzen. "Jah ... Zorg goed voor jezelf en op tijd aan de alarmbel trekken he!" Een beetje beschaamd prop ik mijn jas bij elkaar en haast me de kamer uit met mijn baby half uit de draagzak bengelend. That's it? Dit was wat er gebeurde als je hulp vroeg? Betalen en wegstrompelen maar. 

Had ik duidelijker moeten zijn?

Terwijl ik naar huis liep en mijn zieke baby rustig in slaap dommelde, besefte ik dat ik wellicht duidelijker had moeten zijn. Dat de dokter niet kon weten dat me op deze manier uiten al heel ver uit mijn comfort zone was, dat ik geen klager ben (of mezelf toch niet als dusdanig bestempel) en eerder de neiging heb om dingen te verbloemen dan te dramatiseren. Maar hardnekkiger was het stemmetje in mijn achterhoofd dat riep "Hmm heb je toch wat overdreven he!" 

Enkele dagen later...

Enkele weken later brak ik opnieuw. De aanslepende bronchiolitis bij mijn jongste, met de daarbij horende traumatiserende neusspoelingen en pufgevechten, gevolgd door opnieuw een periode van (niet goed kunnen) wennen bij de creche, de onderbroken nachten, de terrors met de peuter, de uitputtingslag die het was om zelfs maar enkele uren te werken, de wens om zo veel meer te doen en te zijn, voor mezelf maar ook voor de kinderen en de teleurstelling dat zo weinig lukt, de geldzorgen, het tobben over wie waar zal wonen, de frustraties, de dagelijkse brooddoosstress, de opkomende verjaardag van de oudste (die gepaard gaat met traktatiestress en gepuzzel met familiefeesten). De combinatie van dat alles, een urenlange probeer-je-peuter-te-doen-slapen sessie en vooral het non stop moederen, hadden me ingehaald. Ik zag geen uitweg meer, was leeggezogen. Ik kon niet bedenken hoe ik ooit nog een sprankel energie zou voelen, hoe ik de volgende dag zou aan kunnen, en die daarna, en die oneindig veel dagen daarna. Ik kon niet meer verder, niet meer voorbij het accuut slaapgebrek en rothumeur. Er was geen oplossing, ik kon geen avond de peuter niet in bed steken want hij slaapt enkel bij mij (of oma), ik kon niet eens vakantie nemen, enkele dagen en/of nachten weg zijn, slapen, ... Hoe moest het dan verder? Ik was echt op. Wanneer de oudste zich eindelijk had overgegeven aan de slaap, strompelde ik naar beneden en weende. Voor het eerst in maanden weende ik. Trillend vroeg ik "Waar is de alarmbel? Ik wil aan de alarmbel trekken." Maar ik had geen idee meer hoe. Wie kon ik bellen? Waar kon ik terecht? Wie kon me helpen? Wat moest ik vragen?

Gedragen

De vader van de kinderen stelde me gerust, soort van toch. Ik ging laat slapen, maar toch met een klein beetje perspectief. En hoe diep dit dal ook was - zelfs als was dit dal zo diep dat ik niet dacht er nog uit te veren, ging ook deze dag voorbij en was de volgende dag weer net iets beter. Gaf die weer net een heel klein stukje te ademen. Deelde ik mijn verhaal op instagram en kreeg zo veel herkenning, dat het voelde of er een stukje door hen gedragen werd. Al die erkenning, wij zien wat je doet, wij zien dat het veel is, het is niet abnormaal, was helend. En iemand herinnerde me er aan dat de zon bijna zou terugkomen. De zon heeft altijd een grote impact op mijn gemoed. De dagen nadien klom ik uit het dal. Had ik weer wat energie en vanaf ik weer wat vaste grond onder mijn voeten voelde begon ik naar aloude gewoonte te rennen. Een kind op de arm, achter de andere aan, de laptop onder de andere arm, een slordige dot op het hoofd en ongepoetste tanden, maar toch met een lach op het gezicht. De zon schijnt. Heb ik al die gevoelens mee opgeslorpt in mijn vulkaan die op uitbarsten staat? Explodeert ze de volgende keer eens zo hard? Is het dan te laat? Of ben ik teruggekeerd naar mezelf, heb ik losgelaten en kan ik weer verder? Dat verschil vind ik zo moeilijk om te voelen. Maar vandaag schijnt de zon, en de zon komt altijd terug, dat wil ik onthouden op de bewolkte dagen.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.